Lampros

uitgeverij

Inkijkexemplaar Caribbean Rhapsody

Natalis

Het ziekenhuis, waar mijn geboorteschrei eens klonk en zich mengde met het geluid van een woest bruisende zee, staat er niet meer. De Amerikanen lieten het bij hun vertrek achter. Het eiland kon de kosten om het te behouden niet opbrengen en afbraak volgde. Vele gebouwen en huizen die het omringden staan er nog. Ook de poort die toegang gaf tot het Amerikaanse kwartier en de groene muur die het afbakende van het omringende gebied. De ijzeren hekken zijn verwijderd en er zijn geen poortwachters meer die vragen naar je pasje. Ik ga de heuvel op waar het ziekenhuis ooit hoog boven het dorp torende als een baken van ziekte en herstel. Ik voel de wind die eens huilde om het gebouw. Ik kijk naar beneden, naar het dorp, naar het gebied waar alleen Amerikanen mochten wonen. Naar gebouwen, huizen, monumenten van een glorieus verleden, nu het onderkomen van lui zonder geld en goed. Zie de tennisbanen, de lege kerken, de nightclub en het witte strand waarboven elk jaar op 4 juli vuurwerk schitterde, wegkwijnen in de verschroeiende zon. En ik loop verder naar de kust en naar de plek waar de woeste zee een heel stuk kust heeft weggeslagen. Driftig bonkt de zee zich een weg landinwaarts naar de plek waar mijn schrei eens klonk, om zich te mengen met mijn nu zacht omfloerste stem.

May Ann

Pok. Pok. Pok. Drie groene bierflesjes spatten tegen de hoge gele muur van de Seven Day Church uiteen. Alle drie boven en achter mij. Drie droge slagen tegen het opzwepende ritme der tamboerijnen, tegen de donkere stem van de voorzanger en het unisono der sopranen in. Ik keek verschrikt om. Ze stonden aan de overkant van de weg, voor de lage muur in de schaduw van de bomen voor de watertoren. De dorpsjongens met stok en stukgeslagen bierflesjes in de aanslag; hun boze gezichten strak op mij gericht. Als Speedy Gonzales maakte ik mij uit de voeten. Op het kruispunt opende ik het portier van een taxi en stapte in. Cobarde, lafaard, moeten zij hebben gedacht toen de gevechtshouding langs hun lichamen weggleed. Haar broer had me gewaarschuwd. Ik moest uit de buurt van zijn zusje blijven. Wat hij niet wist, was dat zijn zusje niemand liever wilde dan mij. Alfredo had het geprobeerd. Die woonde bij haar in de buurt. Zij hoorde tot zijn territorium. Daarom al had hij meer recht op haar dan ik. Ik kwam uit een andere buurt. En hij droeg Levi’s en ik Wrangler en mijn spijkerbroeken werden in de wasmachine gewassen en niet zoals zijn Levi’s bij de ouders van Ann gedrycleaned. Ann wilde niets van hem weten. Ook niet van Tom, die bij haar broer een wit voetje had omdat hij ook Chinees was en zijn ouders een respectabele zaak hadden. Ann en ik werden door de ogen van privédetectives uit alle windstreken bespied. Toch zag zij kans mij na school op te wachten als ik naar de bushalte liep om mij haar geparfumeerde zakdoek, waarop onze initialen waren geborduurd, in mijn hand te drukken. Waar, o waar, kon ze langer met mij verkeren? Dat was het: de bioscoop. Zij legde mij uit waar ze zou zitten; zij hield een stoel naast haar vrij. Als de film was begonnen zou ik de zaal binnenlopen en naast haar komen zitten; en voordat de film uit was zou ik vertrekken. Zo spraken wij enige keren af. Van de films die er draaiden herinner ik mij niets. Alleen het korrelige schijnsel van de projector en het geknetter van de geluidsband en ons diep-innig zoenen voor het einde van de film. Elly moet ons in de bioscoop hebben gezien. Zij had geen broer die haar de omgang met mij kon beletten. Ze lokte mij bij haar naar binnen. Pronkte met mij op haar voorbalkon zodat Ann en de anderen ons konden zien. Tot het op een gevecht tussen die twee uitdraaide. Elly won, maar verloor mij. Als revanche moet zij het de jongens hebben verteld. De bioscoop kon ik niet meer binnensluipen. Ze hielden er de wacht. Nog eens hebben zij mij uit hun territorium verdreven. Met lynch- en moordzucht rond hun mond en in hun ogen. Die krijgertjes. Wat een schrik hebben die mij toch aangejaagd.

Berlijn

Dat het uitbundige kraken van het tweepersoonsbed het gevolg was van ons buitenzinnige liefdesspel, dat valt te betwisten. Dat het had bijgedragen staat buiten kijf. Het kraakte al bij het gaan zitten op de rand en bij iedere beweging in sequentie om je horizontaal uit te strekken. Dat het obscene gekraak tot alle kamers die nacht was doorgedrongen, was duidelijk toen de studentin Germanistik, Sabine genaamd, en ik ’s ochtends de ontbijtruimte binnenliepen. Met scheve ogen werden wij vanuit alle hoeken en continenten aangekeken. Wij werden niet zozeer als de verdachten van het schandaal aangemerkt, maar als de werkelijke veroorzakers. Gelukkig kwam er net een tafeltje voor twee personen vrij zodat we gelijk konden gaan zitten. Sommige gasten keken ons verwijtend aan; anderen, voor wie onze aanwezigheid te veel was, dronken in vertrekhouding versneld hun tweede kop koffie of thee leeg. Maar wat voor complete paniek zorgde, was toen uit mijn mond de woorden ‘Wunderbar’ en ‘Abend’ opstegen en geheel contextloos door de gasten werden opgevangen, en de ruimte zich daarop vulde met zuchten en steunen en het radeloos verzetten van stoelen. B&B’s hoeven maar op twee terreinen kwaliteit te leveren, bed en ontbijt. En soms is het daar droevig mee gesteld. Ik vroeg om een zachtgekookt ei, maar alle voorradige eieren waren reeds hardgekookt en in de koeling, aangezien de ontbijtservice zo ging sluiten. De broodrooster deed het ook niet, sinds wanneer daar mocht je zelf naar gissen, en de koffie was slap en eerder lauw dan warm. Sabine schaamde zich wel een beetje voor het feit dat dit tafereel plaatsvond in haar Heimat die wereldwijd bekendstond als Wirtschaftswunder. Bij het afrekenen vergewiste de puriteinse B&B-houder zich van het juist noteren van mijn achternaam (na zijn tweede poging lukte dat op een letter na) en leeftijd. Ik achtte het niet ondenkbaar, zelfs goed voorstelbaar, dat de B&Bhouder een zwarte lijst in Microsoft Access bijhield waar mijn naam in gothic bold zou oplichten bij mijn eerstvolgende bezoek aan dit adres. Eenmaal buiten voelden wij ons bevrijd van de ons opgelegde zonde en konden we niet alleen terugzien op een genoeglijke nacht, maar ook een avond in de Staatsoper, waar we naar de opera Wozzeck van Alban Berg waren geweest. Sabine vond niet alleen het libretto van Berg, dat op het toneelstuk Wozzeck van Büchner was gebaseerd, in een woord grandioos, maar ook de muziek, hoewel zij eerst aan de onconventionele melodieën en harmonieën moest wennen. Eindelijk iemand, dacht ik, met wie ik deze muziek kan delen. We liepen langs nostalgische bars waar ’s avonds het culturele leven van het vooroorlogse Berlijn aan de toeristen werd opgediend, maar ook brak in het straatleven en de etablissementen het nieuwe elan van de stad door van sinds de ‘Mauerfall’. Flarden van onze conversaties, observaties en gelach fladderden rond in de lucht van een stad die zich verenigd en vrij voelde. Hier en daar te midden van het stadsrumoer stond ik even stil. Aan de historiciteit van de stad was geen ontkomen. Geschiedenis is zoiets vreemds, ongrijpbaars, dacht ik, en noodlottigs. Plaats ons, mij en Sabine, zoveel jaren terug in de tijd; wat was er van ons samenzijn geworden? Of hadden wij überhaupt samen kunnen zijn? Ik keek Sabine aan. Haar ontluikende glimlach in het licht van een zich vernieuwende stad dreef gelukkig deze sombere gedachte voort. Ik strekte een hand naar haar uit en hand in hand liepen wij de Brandenburger Tor tegemoet

Inkijkexemplaar
Ik waan mij hier slechts

Trek

Ik sliep in
op je schapenvacht.
Een wolvendroom
bezocht mij
toen je de kamer binnenkwam
terug van je werk
met nog je rode muts op.
Je schudde mij wakker
en vroeg of ik trek had
in Argentijns gegrillde spareribs.
Ik geloof dat ik mompelde
dat ik meer trek had in jou.
“Dat kan wachten,” zei je,
“laat me eerst wat eten."

Ik waan mij hier slechts

Tussen de donkere boomstammen
scheidt de mist mij
van het schrift. De pen krast met hanenpoten
in de bleke aarde
scharrelend naar zin.
Het bos zinkt weg
in diepe meditatie.
Ik waan mij hier slechts
een geest uit de fles
die zweeft en zich mengt met de mist.
Wij zullen samen over de rivier trekken
en bijtijds de heksen omringen
bij het doen van hun profetieën
en weer verder trekken
ieder zijns weegs.
Goudgele bladeren
zal ik verzamelen en
het logboek van vervlogen tijden
uit het naschrift van jaarringen lezen.
En ook het blad dat zich hier voor mij onzichtbaar
met tekens vult
zal neerdwarrelen
gelig
zich veilig wetend
in de bruinige schoot van kreupelhout.
Geprezen
de wandelaar die het vindt.

Bling Bling

Glasscherfjes op het fietspad
fonkelen als gevallen sterren
in hun nieuwe nacht,
het zwarte asfalt.
Een lekke band als hemelsgerecht
zal ik ontwijken.
Eksters langs het pad
wachten geduldig af.
Bling bling schittert in hun spiedende ogen
niet als last maar lust
of opsmuk voor hun nest hierboven.